Waarom een rentetarief bij financiering maar het halve verhaal vertelt

We zijn allemaal vreselijk verwend geraakt. Sinds 1993 zien we een gestaag dalende rentelijn, bijvoorbeeld voor hypotheken. Bedroeg de 5-jaars rente toen nog rond de 9,5%, nu ligt dit rentetarief rond de 1,8%. Geld zou geen geld meer hoeven te kosten, zo wordt vaak gedacht. Maar is dat wel altijd zo?

Als we bezig zijn met de financiering van duurzame projecten die goed zijn voor mens en milieu, valt het ons op dat ondernemers en initiatiefnemers zich soms blind staren op rente tarieven voor woninghypotheken. Zij vergelijken deze dan met de rentepercentages die betaald moeten worden voor duurzame projecten. Rentepercentages voor deze projecten worden dan vaak als ‘veel te hoog’ bestempeld. Rentepercentages tussen 6 en 12% op jaarbasis zijn namelijk niet ongebruikelijk voor dergelijke projecten. Zeker niet wanneer het om kleinere bedragen gaat. In dit blog gunnen we je daarom een blik achter de schermen van waarom dat is. We geven ook een paar berekeningen. Misschien voor sommige lezers wat saai, maar wel noodzakelijk om inzicht te geven waar het om gaat.

Rente en inflatie

Allereerst iets over wat rente nu eigenlijk is. Rente is normaal gesproken een vergoeding die de leningnemer betaald aan de leningverstrekker. De leningnemer krijgt geld en kan daarmee een investering doen, een huis kopen etc. De leninggever kan gedurende die tijd zelf niets met dat geld doen en krijgt daarvoor een vergoeding. De hoogte van deze vergoeding, de rente, hangt natuurlijk af van wat er zo in de markt betaald wordt. De inflatie is daarbij een belangrijk element. Én het specifieke risico dat de leninggever loopt dat de lening niet wordt terugbetaald.

Risico en zekerheden

Het risico is leningnemer specifiek: als je van de Nederlandse overheid geld leent, is je risico veel lager dan wanneer je bijvoorbeeld aan een slechtlopende timmerfabriek leent.

Kortom, de rente is voor een belangrijk deel afhankelijk van het risico dat de leninggever loopt. En van de zekerheden die een leningnemer kan geven wanneer de lening onverhoopt niet zou worden terugbetaald.

Stel, je hebt een woonhuis met overwaarde als onderpand dat makkelijk verkocht kan worden (en waar ook nog een Nationale Hypotheekgarantie op is afgegeven). Dan weet je nagenoeg zeker dat je linksom of rechtsom je geld terug zult krijgen. Als je echter een zeer specialistische machine als onderpand hebt, die volledig op maat gemaakt is voor de klant, dan is die zekerheid veel minder. En zodra die machine op de tweede hands markt verkocht zou moeten worden, moet deze  eerst gedemonteerd worden. En het is maar de vraag of er (snel) een koper voor gevonden kan worden die een goede prijs betaald. Het zal duidelijk zijn dat in het laatste geval een veel grotere risico-opslag betaald moet worden dan in het eerste geval.

Fundingkosten en winstopslag

Maar er zijn nog andere factoren die een rol spelen. Bij professionele geldverschaffers zoals banken en leasemaatschappijen moet er ook rendement gemaakt worden. De rente bevat dan niet alleen een risico-opslag, maar ook een ‘winstopslag’. Daarnaast hangt de rente die zij aan hun klanten berekenen sterk af van de zgn. funding costs.

Funding costs zijn de kosten voor het geld dat zij zelf aantrekken, om dan weer aan hun klanten uit te lenen. Banken kunnen bijvoorbeeld ‘gratis’ geld aantrekken bij de Europese centrale bank, of bij hun klanten (zoals jij dus), die geld zonder rentevergoeding op hun bankrekening laten staan.

Veel andere financiers, zoals leasemaatschappijen en Provinciale Groenfondsen, moeten hun geld daarentegen aantrekken bij banken, (buitenlandse) pensioenfondsen en andere geldverstrekkers zoals overheden, die daarentegen wel rente willen ontvangen. Als een dergelijke financier zijn geld zelf aantrekt voor bijvoorbeeld 3 – 5% (niet ongebruikelijk voor fondsen en leasemaatschappijen), dan zal duidelijk zijn dat de rente die zij aan hun klanten moeten rekenen hoger zal zijn dan wat banken kunnen rekenen.

Minder standaard; hogere rente

Dan is er nog een ander belangrijk aspect. En dat is dat financiële partijen in hun rentetarieven ook project-specifieke kosten moeten doorberekenen. Twee factoren hebben daarbij een belangrijke invloed: de grootte van het financieringsbedrag én de hoeveel tijd die er in gestoken moet worden om het te financieren project te beoordelen en de financiering rond te krijgen. Een voorbeeld om dat duidelijk te maken.

Stel, de beoordeling van een project 4 dagen werk van een financier. Bijvoorbeeld om het project te leren kennen, de financiële situatie van de leningnemer te beoordelen en de noodzakelijke documentatie op te stellen. Deze kosten moeten via de rente worden terugverdiend. Wanneer we de kosten op € 2.500 zetten, dan betekent dit bij een financieringsbedrag van € 100.000 (looptijd 5 jaar) een noodzakelijke verhoging van de rente van 1% op jaarbasis. Wanneer de leensom echter € 50.000 bedraagt, dan moet de rente al bijna 2% hoger zijn om deze kosten terug te verdienen. Het zal duidelijk zijn, dat met name bij kleinere projecten deze kosten een sterke impact hebben op de rentekosten.

Enkele rekenvoorbeelden

De vraag is natuurlijk hoe zwaar een rentetarief uiteindelijk meespeelt in de kosten van een project. Een belangrijk aspect bij de beoordeling van deze vraag is de looptijd van de lening. Bij een korte looptijd (waarbij de lening snel wordt terugbetaald) staat er gemiddeld minder geld uit, en heeft een hogere rente minder effect dan bij een 10-jarige of 20-jarige looptijd. Bij dergelijke looptijden speelt de rentecomponent een veel belangrijkere rol. Enkele rekenvoorbeelden om dat te verduidelijken.

Allereerst de maandbedragen (rente en aflossing) bij verschillende looptijden en rentepercentages.

Op zich lijkt het er op dat hoe langer de looptijd is, des te lager de maandbedragen zijn. Dat lijkt aantrekkelijk, omdat je maandelijks minder hoeft te betalen. Maar, het bedrag dat uiteindelijk over de looptijd van de lening aan rente wordt betaald loopt behoorlijk op. Zoals onderstaand schema laat zien.

Bij kort looptijden zijn leningen dus minder gevoelig voor verschillen in rentepercentages, bij langere looptijden kan het echter zeer veel uitmaken.

Waarom bij kleinere duurzame projecten hogere rentepercentages gerekend moeten worden is hiermee hopelijk verklaard. De projecten zijn veel arbeidsintensiever om te beoordelen, wat in de rente moet worden verrekend, de zekerheden zijn doorgaans minder (dus hoger risico) en de kosten voor de funding van dergelijke projecten is veel hoger dan voor grotere ‘doorsnee’ projecten.

Rente niet altijd van doorslaggevend belang

Ondanks de drempel die een hoger rentepercentage kan opwerpen, komen er toch veel duurzame projecten via externe financiering tot stand.  Dat heeft  te maken met het feit dat  de terugverdientijd van sommige projecten (zoals LED-installaties, warmtepompen, WKK’s etc.) korter is dan de looptijd van de lening die op dergelijke objecten kan worden afgesloten. Daardoor is de opbrengst (of besparing) van een project al vanaf het begin aan hoger dan de kosten van de financiering. Zonder dat het bedrijf of de instelling veel eigen vermogen op tafel hoeft te leggen.

Want daar gaat het bij bedrijven en instellingen uiteindelijk om: hoe kun je investeringen doen, zonder aanslag te hoeven plegen op je werkkapitaal. Want dat heb je nodig voor de verdere groei en ontwikkeling van je organisatie.

Wil je zelf eens sparren over de financieringsmogelijkheden van een (duurzame) investering?Neem dan telefonisch contact op via 020–615 7000 of via de email met info@greeningfinance.nl

Elke maand onze laatste artikelen ontvangen?

Meld je aan voor onze nieuwsbrief ➜

2018-11-05T12:22:12+00:00